Nieuws van politieke partijen in Nederland inzichtelijk

458 documenten

Met een zwaar beroep kan je niet langer wachten…

PvdA PvdA Nederland 18-02-2020 14:12

Door Gijs van Dijk op 18 februari 2020 Delen  

Ze moeten steeds langer doorwerken en vrezen hun pensioen niet in goede gezondheid te halen. Van het kabinet moeten ze nog even geduld hebben. Maar als je op je 15de al begonnen bent met werken, kan je niet langer wachten.

In het pensioenakkoord is er afgesproken dat mensen drie jaar eerder kunnen stoppen met werken. Er zou 800 miljoen euro beschikbaar komen om mensen hierbij te helpen. Vakbonden en werkgevers hebben sindsdien niet stilgezeten. Er zijn afspraken gemaakt bij de vleesverwerkende bedrijven, bij Heineken en in de thuiszorg om er voor te zorgen dat mensen met een zwaar beroep eerder kunnen stoppen. Tot zover het goede nieuws.

De afspraken uit het pensioenakkoord blijven voor hen een papieren werkelijkheid.

Want die 800 miljoen die nodig is om mensen hun welverdiende pensioen te geven ligt nog steeds stof te vergaren op de plank. Minister Koolmees treuzelt met het beschikbaar stellen, waardoor de mensen om wie het gaat voorlopig moeten doorwerken. De afspraken uit het pensioenakkoord blijven voor hen een papieren werkelijkheid.

https://www.pvda.nl/nieuws/met-een-zwaar-beroep-kan-je-niet-langer-wachten/

Ik denk dan aan Co. Al 40 jaar werkt hij “aan het vlees”. Hij is begonnen voordat je op de brommer mocht. Hard en zwaar werk, waarbij vele collega’s al eerder arbeidsongeschikt raakten. Voor hem – en voor vele anderen – moet er nu eindelijk iets geregeld worden.

Stel het geld dat er is beschikbaar.

Daarom heb ik een duidelijke boodschap voor de minister Koolmees: stop nu met treuzelen. Stel het geld dat er is beschikbaar. Zorg dat mensen zoals Co echt drie jaar eerder met pensioen kunnen. Morgen debatteert de Tweede Kamer hierover. Ik ga in dat debat actie eisen van het kabinet, zodat mensen met een zwaar beroep echt zeker kunnen zijn van een onbezorgde oude dag.

Tweede Kamerlid

 

Heb je een vraag of wil je iets aan ons kwijt? Whatsapp ons.

Groet, Lodewijk

Whatsapp

Ga het gesprek altijd aan

ChristenUnie ChristenUnie Nederland 17-02-2020 22:19

Door Carla Dik-Faber op 17 februari 2020 om 23:13

Vandaag stuurde minister Hugo de Jonge het onderzoek naar de Kamer over euthanasie en psychiatrie. Het onderzoek laat zien hoe belangrijk het is dat huisartsen, psychiaters en andere behandelaars de doodswens van hun patiënt serieus nemen en bespreekbaar maken.

Dit gebeurt nu nog te weinig, waardoor veel patiënten hun heil zoeken bij het Expertisecentrum Euthanasie (voorheen: de Levenseindekliniek). Het Expertisecentrum concludeert echter dat achter 60% van de euthanasieverzoeken een hulpvraag om verder te leven schuil gaat. Deze hulpvraag, die zich kan uiten in een doodswens, moeten we te allen tijde serieus nemen. Patiënten verdienen hierbij goede hulp en ondersteuning.

Dit is een belangrijke oproep aan de verschillende beroepsgroepen: ga het gesprek over een doodswens altijd aan. Want in de meest gevallen willen mensen geen euthanasie, maar willen ze dat er naar hen geluisterd wordt.

Geniale reuzenvriend

PvdA PvdA D66 Nederland 16-02-2020 12:00

Mijn geniale grote vriend Erik Van Bruggen is niet meer. Donderdag namen we afscheid, veel te vroeg. Het is wonderlijk en surrealistisch; de lieve reus is geveld. Erik was een man met een groot hart. Dat uitgerekend datzelfde hart hem in de steek zou laten is nauwelijks te bevatten.

Erik en ik zagen elkaar voor het eerst een half leven geleden, in 1993, beiden in dienst van de PvdA-campagne met Wim Kok. Eilanders onder elkaar: Erik geboren op Texel, ikzelf op Vlieland. (Texel was natuurlijk superieur, dat wil zeggen: in Erik’s beleving.) Partijvoorzitter Felix Rottenberg had het al verordonneerd: “Ik denk dat het goed is als jij eens kennis maakt met Erik van Bruggen, dat is een jongen met talent. Jullie zullen elkaar interessant vinden.”

Die woorden bleken profetisch.

Onze eerste ontmoeting, in hotel Gooiland in Hilversum, zou het startsein vormen voor een duizelingwekkende hoeveelheid activiteiten, ideeën en strategische adviezen. Met bij voorkeur, geheel op zijn Erik’s, zakelijk en plezier verstrengeld. Bij alles wat we zagen in de politieke arena steeds weer opnieuw nadenken en praten. Elke keer weer opnieuw aftasten: is dit het begin van een nieuwe ontwikkeling? Kunnen we hier iets van leren? Klopt het beeld? Klopt de boodschap? Snap je nou dat ze dáár mee komen? En wees nou eerlijk, kunnen wij tweeën dat eigenlijk niet gewoon veel beter?

Ik denk aan de avonturen die wij hebben meegemaakt. Naast diverse andere PvdA-campagnes brachten wij talloze politieke partijen de kneepjes van het campagnevak bij. Met humor en anecdotes. En zo kan het gebeuren dat ze in Nicaragua nog nooit van Erik van Bruggen hebben gehoord, maar wél van Enrique de los Puentos.

Toen ik in de jaren negentig en nul in Washington, D.C. en New York woonde was er één constante: de bezoeken van Erik. Dat plasje water tussen Europa en Amerika was slechts een detail. Vanuit de Verenigde Staten en Nederland hielpen we Youssou N’Dour in Senegal met zijn presidentiële aspiraties. We bezochten de Amerikaanse partijconventies, van zowel Democraten als Republikeinen, want ook van die laatsten zou je mogelijk iets kunnen leren en naar de Republikeinen toe was het wel zo netjes om ook hen met een bezoek te vereren. En nadat we een jonge senator uit Illinois op de conventievloer in Boston hadden horen prediken over blue states en red states reisden we, uiteraard op instigatie van Erik, vanaf 2008 elke vier jaar naar Iowa en New Hampshire om de caucuses en primaries bij te wonen. Dit jaar zat die bedevaart er voor Erik niet in. Wel gaan met anderen voelde als verraad. En dus toog ik naar Erik’s ziekenhuisbed om permissie te vragen om toch naar Iowa te mogen reizen. Die toestemming kreeg ik uiteindelijk, na mijn plechtige belofte dat we in 2024 de draad weer op zouden pakken. Er verscheen een gelukzalige lach op zijn gezicht.

Ik denk aan ons werk voor de Congolese gynaecoloog dr. Denis Mukwege en Stichting Vluchteling en onze blijdschap toen hem de Nobelprijs voor de Vrede ten deel viel. Samen verzorgden we vele tientallen strategische projecten op de meest uiteenlopende terreinen: van het beschermen van vogels tot aan de formulering van een nieuw pensioenstelsel, van de coaching van jonge, talentvolle politici tot het componeren van een reader over beeldregie voor de Rijksvoorlichtingsdienst, en van advies over de Europese Unie (‘Nederland in Europa’) tot aan een strategie voor de emancipatie van mensen met een beperking – en zo’n beetje alles daar tussenin. Steeds oversteeg het eindresultaat de som van onze inspanningen.

Ik stel me voor hoe Erik vandaag heeft aangeklopt bij de hemelpoort. Die arme Petrus zal zijn handen vol hebben gehad aan die tegendraadse snuiter uit Nederland. Erik zal hem direct hebben geconfronteerd met zijn armzalige beeldregie; het zou immers heel veel beter zijn als de kerkvader omringd zou worden met andere hemelbezoekers. Licht geërgerd zal Erik hebben opgemerkt dat Petrus’ rekwisiet van de sleutel weliswaar aardig gevonden is, maar dat daar ook meer mee gedaan had moeten worden. Ook de toelatingsprocedure van Petrus zal door Erik resoluut zijn afgewezen. Snel een gesprekje en dan een besluit over wel of niet naar de hemel, dat is anno 2020 volstrekt achterhaald. Waarom niet een circuit van toelatingstests en die vervolgens spreiden over de hele maand? Zo genereer je aandacht. En, zo zal Erik Petrus hebben opgedragen, waarom die spannende ervaringen voor de hemelpoort niet boekstaven? Geen zorgen, Erik geeft het werk zelf wel uit als het eenmaal zo ver is.

Dag reuzenvriend.

Hans Anker

 

Heb je een vraag of wil je iets aan ons kwijt? Whatsapp ons.

Groet, Lodewijk

Whatsapp

Het Nationaal Historisch Museum moet er komen

SP SP CDA Nederland 15-02-2020 07:20

We zijn de makers van de toekomst, maar ook allemaal een product van onze geschiedenis. Historisch besef, kennis van onze wordingsgeschiedenis en onze geschiedenis in samenhang kunnen bezien is daarom heel belangrijk. Wanneer de status-quo de enige referentie is, wanneer er geen inzicht bestaat in onze geschiedenis, dan ontbreekt begrip van de achtergronden en ligt oppervlakkigheid op de loer. Wie niet weet waar hij vandaan komt, weet niet waarheen hij onderweg is.

Om deze reden namen in 2006 de toenmalig leider van de SP, Jan Marijnissen en zijn collega van het CDA Maxime Verhagen, het initiatief voor een Nationaal Historisch Museum. Over de hele wereld zijn veel mooie voorbeelden van nationale historische musea te vinden, maar Nederland heeft zo’n museum nog niet. Ondanks de grote steun voor dit idee toen, is het museum er nooit gekomen.

Bijna vijftien jaar later blazen Lilian Marijnissen en de huidige fractievoorzitter van het CDA Pieter Heerma, dit idee daarom nieuw leven in. SP-fractievoorzitter Lilian Marijnissen: 'In een tijd waarin de samenleving individualiseert en de veranderingen steeds sneller lijken te gaan, verdwijnt ook steeds meer de gedeelde oriëntatie. De oprichting van een Nationaal Historisch Museum kan bijdragen aan een hernieuwde waardering van het belang van kennis van onze wordingsgeschiedenis. Dat kan helpen in actuele discussies. Immers, het begrip van het heden en het nemen van beslissingen voor de toekomst kan niet zonder kennis van de ontwikkeling die ons gebracht heeft waar we nu zijn.'

Vrolijke, kwikzilverige Erik. Wat een gigantisch gemis.

PvdA PvdA Nederland 14-02-2020 18:38

Door Lodewijk Asscher op 14 februari 2020 Delen  

Als het om de dood gaat bestaat er geen eerlijk: vandaag is Erik van Bruggen overleden.

Het is onbegrijpelijk – het kan helemaal niet. Vrolijke, creatieve plannenmaker. Plannen smeder moet ik zeggen. Man van de wereld: “Je moet absoluut naar The Spotted Pig in New York, en slapen in the Bowery, zeg maar dat ik je gestuurd heb.” Sociaal democraat met hart voor iedereen. Rascampaigner.

Erik die je altijd wilde helpen. Lieve Erik. Optimist. Afgelopen najaar nog toen ik met Alex Klusman bij hem was in het ziekenhuis liet hij weten wel voorzitter van de kandidaatstellingscommissie te willen worden.

In januari zocht ik hem op – de laatste keer weet ik nu – hij had pijn en baalde van de tegenslagen. Maar daar mochten we het niet over hebben. Over politiek moest het gaan. En dat ik naar Texel moest met m’n boek, Erik ging het regelen. En dat het tijd werd voor gemeenschapszin, hij voelde het.

Dood. En Erik. Die twee hebben helemaal niks met elkaar te maken. Vrolijke, kwikzilverige Erik. Wat een gigantisch gemis.

Ik wens Ernestine en de kinderen; de broer, zus en ouders van Erik; Alex en zijn vele, vele andere vrienden heel veel sterkte.

Tweede Kamerlid

 

Heb je een vraag of wil je iets aan ons kwijt? Whatsapp ons.

Groet, Lodewijk

Whatsapp

Nachtmerrie

SP SP Nederland 07-02-2020 14:40

Het zal je maar gebeuren. Je kinderen gaan naar de opvang en als compensatie voor de hoge kosten ontvang je kinderopvangtoeslag. Op een dag krijg je een brief van de Belastingdienst dat alle kinderopvangtoeslag die je tot nu toe hebt ontvangen moet worden terugbetaald, zonder dat je weet wat je fout hebt gedaan. Een nachtmerrie toch? Voor duizenden ouders is dit realiteit. Zij zijn jaren bezig geweest hun onschuld te bewijzen, maar liepen vast in het systeem. Zij konden niet opboksen tegen een overheid die tegenover ze stond, in plaats van naast ze.

Het gaat over grote bedragen. Van tienduizenden euro’s tot meer dan een ton. De verhalen van deze mensen zijn ontzettend schrijnend. Niet alleen zijn mensen opgezadeld met torenhoge schulden, maar ze zijn hun huis uitgezet of gedwongen het te verkopen. Een man werd aangehouden op de snelweg en mocht niet meer verder rijden, omdat zijn auto direct werd ingenomen. Een gezin werd staande gehouden op Schiphol en mocht het land niet verlaten voor vakantie. Na tussenkomst van de Nationale Ombudsman mochten ze uiteindelijk toch vertrekken.

Veel vragen blijven onbeantwoord. Hoe heeft het kunnen gebeuren dat de problemen van deze mensen zo lang zijn genegeerd? Waarom zijn deze mensen als nummers behandeld? Hoe kan het dat niemand bij de Belastingdienst naar ze luisterde? En fundamenteler: hoe kan het eigenlijk dat de zorgpremie, de huur en de kinderopvangkosten zo hoog zijn dat er toeslagen nodig zijn?

De verhalen van de ouders hebben mij diep geraakt, het onrecht, de machteloosheid, het gevoel dat je leven je ontnomen wordt, terwijl je toch helemaal niets verkeerd hebt gedaan. Maar ook hun strijdvaardigheid inspireert. Na al die tegenslagen blijven velen van hen geloven in een toekomst. Een ding is duidelijk: of je het nu over de aardbevingen in Groningen hebt of over deze gedupeerde ouders, de overheid moet naast mensen staan en niet tegenover ze.

Lilian Marijnissen, SP-fractievoorzitter

Lilian Marijnissen in gesprek met leraren, agenten en zorgverleners

SP SP Nederland 05-02-2020 12:42

Na tien jaar Rutte is dat wat van ons allemaal is, onze zorg, ons onderwijs en onze veiligheid, verweesd. De kwaliteit schiet tekort. De werkdruk is te hoog door te weinig collega’s en teveel bureaucratie. Het is de hoogste tijd voor een herwaardering van de publieke sector en de SP zal daar het komend jaar alles voor uit de kast halen.

Lilian Marijnissen gaat in gesprek met mensen die werken in de zorg, in het onderwijs of bij de politie, over waarom je voor het mooie vak gekozen hebt en over wat er nodig is. Samen kunnen we ervoor zorgen dat dingen gaan veranderen.

Dus werk je in het onderwijs, in de zorg of bij de politie? Schrijf je dan nu in. Neem gerust je collega's mee. Je hoeft geen lid te zijn van de SP.

Meer informatie over de bijeenkomsten en de mogelijkheid om je aan te melden vind je hier:

De geborgenheid in onze samenleving

ChristenUnie ChristenUnie GroenLinks D66 Nederland 30-01-2020 14:04

Door Carla Dik-Faber op 30 januari 2020 om 14:47

De geborgenheid in onze samenleving

In de nadagen van je leven komen vaak heel veel vragen bij elkaar. Vragen over zorg en afhankelijkheid, over eenzaamheid en zingeving. Over loslaten, gemis en gebrek aan verbondenheid met anderen.

We weten dat er in ons land een groep mensen is met het gevoel dat hun leven ‘voltooid’ is. Ze zijn niet ernstig ziek en ze hebben niet te maken met uitzichtloos lijden en ze kunnen dus ook geen beroep doen op de bestaande euthanasiewet. Maar tegelijkertijd hebben zij, zoals dat heet, wel een actieve doodswens en een wens tot levensbeëindiging. Eerder werd dat wel ‘voltooid leven’ genoemd.

Dat is een pijnlijk besef. Achter deze groep gaan vele individuele verhalen schuil en het is goed dat we vandaag door onderzoek naar dat ‘voltooid leven’ meer te weten zijn gekomen over deze mensen en de zorgen die zij hebben. Het is goed dat we door dat onderzoek, maar ook via verhalen in de mediaen uit gesprekken in onze eigen omgeving meer over hen horen.

Dan blijkt dat er veel misverstanden over deze mensen bestaan. In het maatschappelijke en politieke debat worden de mensen om wie het gaat wel eens afgeschilderd als autonome burgers die na een geslaagd leven graag regie hebben over hun eigen dood, over ‘voltooid leven’.

Vandaag blijkt opnieuw dat de praktijk weerbarstiger is. De term ‘voltooid leven’ geeft volgens het onderzoek zelfs een te romantische voorstelling van zaken. De onderzoekers hebben geen 70+’er gevonden die zonder te lijden, toch dat gevoel van een ‘voltooid leven’ heeft. En een opvallend groot deel (28%) van de mensen met een wens tot levensbeëindiging heeft deze doodswens al hun hele leven – niet pas sinds ze oud zijn en hun leven ‘voltooid’ is.

Wie zijn zij wel?

De werkelijkheid is dus gelaagder, diffuser, vaak zelfs tegenstrijdig. Ouderen (het onderzoek gaat uit van 55+’ers) met een stervenswens hebben meestal ook een wens tot leven, die voor vier van de vijf ouderen net zo zwaar of zelfs zwaarder weegt dan de wens om te sterven. Hun doodswens kan toenemen of afnemen, afhankelijk van de situatie. En vaak zijn er aanwijsbare redenen waarom de gedachte aan de dood er is: gepieker, gezondheidsproblemen en het gevoel anderen tot last te zijn. Soms zijn er financiële of andere zorgen die de doodswens versterken.

Mensen met een actieve doodswens zijn, kortom, heel verschillende mensen. Mensen met gevoelens, met twijfels en zorgen, met vaak een wens naar een ánder leven. Dat zij een doodswens hebben, is dan vooral omdat zij dít leven niet willen.

Indringend appèl

Als we weten dat veel van deze mensen vooral een wens naar een ánder leven hebben, dan staan we voor de vraag hoe we deze mensen het beste kunnen ondersteunen. Het onderzoek van vandaag is in die zin niet alleen een inzicht gevend rapport om beter begrip te krijgen van de nood achter de doodswens van ouderen die niet ernstig ziek zijn, maar is ook een indringend appèl aan politiek, aan samenleving en aan iedere Nederlander – ieder met zijn eigen verantwoordelijkheid – om werkelijk om te zien naar de naaste. Om bij te dragen aan een samenleving waarin voor iedereen een betekenisvolle plaats is.

En ik besef al te goed dat we niet in staat zullen blijken om alle gedachten aan de dood of al het lijden dat daarachter zit weg te nemen. Ik heb van dichtbij gezien hoe mensen kunnen lijden aan het leven en weet hoe machteloos je je soms kunt voelen.

Tegelijkertijd is er veel dat we wél kunnen doen: goede zorg leveren, eenzaamheid tegengaan, ouderen en ouderdom meer waarderen, zorgen voor goede leef- en woonomstandigheden voor ouderen, meer begeleiding bij vragen over zingeving.

We – als samenleving – zullen met elkaar de uitdaging moeten aangaan om er voor de ander te zijn. Want als we weten dat een stervenswens niet eenduidig is, dan ligt hier onze gezamenlijke verantwoordelijkheid.

Geen makkelijke oplossingen – zoals een pil

Niet dat dat makkelijk is. Het onderzoek van vandaag maakt dan ook duidelijk dat we de vraag achter voltooid leven nooit kunnen oplossen met een ‘wet’ of met een levenseindepil. Ingewikkelde vragen wachten niet op makkelijke antwoorden. Het is niet ‘one size fits all’.

Ook dokters hebben aangegeven de levenseindepil geen goed idee te vinden. Het zou hen opzadelen met een onmenselijke taak: het helpen doden van een gezond mens.

Voorstanders spreken over autonomie en zelfbeschikkingsrecht, maar uit het onderzoek van vandaag blijkt die zelfbeschikking als het gaat om een doodswens erg relatief. Want diezelfde pil is voor een veel grotere groep mensen een levensgroot risico. Zij kunnen hun gevoel van veiligheid verliezen en zich sneller overbodig voelen. Een wettelijke mogelijkheid wordt voor iedereen een optie. Ik herinner mij de vraag van een student, tijdens een politieke jongerenavond van GroenLinks en D66 over dit thema, die vroeg: ‘wie beschermt mij als ik een slechte dag heb?’

Volgens mij is dat wat er op het spel staat. De geborgenheid in onze samenleving. Het lijkt alsof we kwetsbare mensen opgeven, in plaats van dat we er voor hen willen zijn. Het onderzoek noemt het de ‘staatsverplichting’ tot bescherming van kwetsbare personen - die opdracht moeten we héél serieus nemen.

Senator Van Dijk over de Omgevingswet

SGP SGP Nederland 29-01-2020 00:00

Maandagavond debatteerde de Eerste Kamer over de Omgevingswet. Lees hier de spreektekst van SGP-senator Diederik van Dijk.

"Ooit schreef de Duitse dichter Goethe:  ‘Als je alle wetten zou moeten bestuderen, zou je geen tijd meer hebben ze te schenden.’ Kan de minister de Kamer verzekeren dat dit geen oogmerk van haar is geweest bij de majeure wetgevingsoperatie die wij nu onderhanden hebben?Eerst wat fundamentele noties en vragen:Kritiek RvS op kaderwetgevingDe Raad van State plaatste in haar jaarverslag over 2018 kritische noten bij kaderwetten. Tegenover bestuurlijke bewegingsruimte staat minder rechtszekerheid voor burgers. De Raad waarschuwt voor het doorschuiven van wetgevende macht van het parlement naar de regering. Ik citeer: ‘Deze rolopvatting van de wetgever zet het rechtsstatelijk kader – het fundament voor wetgeving – onder druk. De Raad geeft aan dat te gemakkelijk voorbij wordt gegaan aan de principiële vraag of de keuze voor kaderwetgeving hoe dan ook gerechtvaardigd is, gelet op het te ordenen maatschappelijk vraagstuk. Ik citeer: ‘De Omgevingswet is daarvan het duidelijkste en meest verstrekkende voorbeeld.’ Het adviesorgaan tekent aan dat een eenvoudige rekensom laat zien dat 95% van de regelgeving niet door de wetgever, maar door de regering tot stand wordt gebracht, met ongekend grote beleidsruimte voor het bestuur. Wordt wel voldoende houvast geboden? Ik hoor graag de reactie van de minister op deze fundamentele kritiek. De SGP heeft ervoor gepleit in aanloop naar de Invoeringswet te kijken naar het alsnog opnemen van belangrijke normen in de Omgevingswet zelf. Dat is mijns inziens niet echt gebeurd. Graag een reflectie van de minister.Vloeibaar openbaar bestuur?De Omgevingswet stimuleert interbestuurlijke samenwerking op basis van prachtige toekomstplannen. Minister Ollongren heeft eerder gesproken over vloeibaar openbaar bestuur. Er is inderdaad samenwerking nodig om de grote opgaven op te pakken. Het mag echter niet zo zijn dat daarmee verantwoordelijkheden en bestuurlijke aansprakelijkheid afgeschoven worden en de democratische legitimiteit van besluiten op losse schroeven staat. Minister Ollongren noemde in haar Van Poeljelezing de Regionale Energiestrategieën die opgesteld worden. Die hebben een duidelijke omgevingscomponent, maar geen juridische status met bijbehorende waarborgen. De bedoeling is wel dat zo’n energiestrategie zijn weerslag gaat krijgen in omgevingsverordeningen en omgevingsplannen. In de nationale omgevingsvisie (Novi) worden de instrumenten omgevingsagenda’s en NOVI-gebieden genoemd. Bedoeld om samenwerking te stimuleren, maar ze staan niet in de Omgevingswet. Ik hoor graag hoe de minister gaat voorkomen dat bestuurders zich verschuilen achter hogere agenda’s en strategieën en dat de democratische legitimiteit door de toenemende interbestuurlijke samenwerking ook vloeibaar wordt.Dan een aantal vragen over onderdelen van de wetgeving:VoorbereidingsprocedureDe Tweede Kamer heeft een amendement aangenomen die het bevoegd gezag de mogelijkheid geeft om de uitgebreide voorbereidingsprocedure toe te passen in plaats van de kortere reguliere procedure. Die mogelijkheid is beperkt tot activiteiten die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben of waartegen verschillende belanghebbenden bedenkingen hebben. Die randvoorwaarden zijn voor meerdere uitleg vatbaar en kunnen snel een politieke speelbal worden. Deelt de minister de mening van de SGP dat het hier moet gaan om uitzonderlijke gevallen? Graag een nadere duiding. ParticipatieDe Omgevingswet en de Omgevingsregeling bepalen na amendering door de Tweede Kamer dat bij aanvraag van een omgevingsvergunning aangegeven moet worden of en hoe sprake is geweest van overleg met de omgeving. De gedachte erachter is sympathiek, maar ik ben bang voor onduidelijkheid en onnodige ruis in de aanvraagprocedures. Om het even scherp te krijgen: Neem de casus van de plaatsing van een dakkapel. Het kan toch niet zo zijn dat hiervoor overleg gevoerd moet worden met de buren, laat staan dat instemming nodig is? Graag een nadere duiding.Vergoeding schaduwschadeDe SGP zet vraagtekens bij de wijze waarop het kabinet omgaat met schaduwschade en indirecte planschade. Het kabinet schuift het moment van bepaling van het waardeverlies en bijbehorende schadevergoeding van het planstadium naar het moment van vergunningverlening of actie. Daar bovenop komt niet een conservatieve schatting van het normaal maatschappelijke risico, een forfait van 2% , maar juist een verhoging van het standaardforfait naar 4%. De Raad van State is hier heel kritisch over. Een omgevingsvisie kan al zijn schaduw vooruit werpen en invloed hebben op de waarde van woningen en de mogelijkheden voor bedrijfsontwikkeling. Een omgevingsplan nog meer. In de praktijk gaan burgers en bedrijven dus meer schaduwschade en indirecte planschade zonder vergoeding op hun bord krijgen. De minister geeft aan dat het effect van het omgevingsplan op tussentijdse waardeschommelingen beperkt zal zijn. Over het algemeen zal dat best het geval zijn. In bijzondere gevallen kan dat echter anders liggen. Er zijn 355 gemeenten en miljoenen gebouwen. Dan kan dit aantal bijzondere gevallen nog best hoog liggen. De minister geeft aan dat het wenselijk is dat omgevingsplannen globaal ingevuld worden en dat vergoeding van planschade dit belemmert. Inderdaad. Punt is wel dat ook als een omgevingsplan op onderdelen wél concreet ingevuld wordt, je nog steeds geen recht hebt op schadevergoeding. Is er geen middenweg denkbaar tussen de huidige situatie met een vergoeding voor indirecte planschade en een minimumforfait van 2% en de harde lijn van de minister, geen vergoeding van indirecte planschade en een forfait van 4%? Dit nog afgezien van de schaduwschade van omgevingsvisies. Wil de minister hier onderzoek naar laten doen? Vergeet niet dat het vooruitzicht op een redelijke tegemoetkoming de medewerking van partijen aan ruimtelijke ontwikkeling juist kan verbeteren, met bijbehorende versnelling!Enkele vragen over de invoering: Houdbaarheid provinciale omgevingsverordeningenEr is discussie tussen juristen over de vraag of de provinciale omgevingsverordening al vóór het van kracht worden van de Omgevingswet voorbereid en vastgesteld mag worden. De een zegt dat het vaker op deze manier gebeurd. De ander zegt dat in dit specifieke geval de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is, maar dat die nog geen wettelijke basis heeft. In de schriftelijke ronde is hierover van gedachten gewisseld. Om het goed duidelijk te hebben: hoe kan de minister garanderen dat omgevingsverordeningen die vóór 1 januari 2021 vastgesteld worden niet vernietigd worden?Oude bestemmingsplannenVanaf 2021 worden oude bestemmingsplannen bevroren en gaan als zodanig over naar het omgevingsplan. Stukje bij beetje worden de oude regels vervangen door de nieuwe omgevingsregels. Experts vragen zich af of gemeenten het aankunnen bij deze stap voor stap benadering steeds de gewenste integraliteit voor ogen te houden. De kans is groot dat ervoor gekozen wordt om nog snel voor 2021 allerlei planwijzigingen in gang te zetten en om na 2021 te gaan werken met afwijkvergunningen. Zou het niet beter zijn om gemeenten de ruimte te geven om het omgevingsplan grondig aan te pakken en in de tussentijd de mogelijkheid te houden om het oude bestemmingsplan aan te passen?2021 haalbaar - DSO?Tot slot. Een belangrijke vraag: is invoering per 1 januari 2021 haalbaar? Een belangrijke pijler van het nieuwe stelsel is het Digitaal Stelsel Omgevingswet. Collega Verkerk gaat hier straks dieper op in, dus ik laat het bij een paar opmerkingen. Tijdens het laatste rondetafelgesprek werd aangegeven dat het Digitaal Stelsel Omgevingswet nog in een laboratoriumstadium is. Er is veel gedaan, maar er is ook vertraging en nog veel werk aan de winkel, zeker als je naar het ideale scenario wil waarin voor initiatiefnemers met een druk op de knop alle ruimtelijke informatie inzichtelijk is. Betrokkenen geven aan dat meer budget nodig is om het tot een goed einde te brengen. Er is ook oefentijd nodig voor gemeenten. Om het even op scherp te zetten: is de wens om op 1 januari 2021 van start te gaan niet teveel de vader van de gedachte? Waarom denkt de minister dat het verantwoord is, terwijl nog zoveel werk verzet moet worden? Komt er extra budget?Goede bedoelingen zijn geen garantie voor goede resultaten. Bestuurders en managers willen nog wel eens een te zonnige bril opzetten. Ook de ambtenaren op de werkvloer en vergunning aanvragers moeten ermee uit de voeten kunnen. Graag zorgvuldigheid boven snelheid.

Is FVD tegen de rechtsstaat?

Forum voor Democratie Forum voor Democratie Nederland 28-01-2020 11:00

Ter beantwoording van die vragen (of één vraag eigenlijk, in verschillende varianten), is het nuttig vier momenten in de staatsrechtelijke geschiedenis van Nederland en Europa in het algemeen te onderscheiden: 1648, 1748, 1848, 1948.

1648: de natiestaatIn 1648 kwam de natiestaat als politiek ordeningsprincipe naar voren. Dat gebeurde met het “Westfaalse stelsel”. Dat systeem is ontstaan toen de Vrede van Westfalen werd gesloten (1648). Vanaf dat moment werden natiestaten erkend als territoriale eenheden met een eigen soevereiniteit die door de andere staten in beginsel zou moeten worden geëerbiedigd (non-interventie). Kenmerkend voor die natiestaten was dat een vorst de effectieve controle over een stuk grondgebied wist te handhaven. Zoals Voltaire zei: “De eerste koning was een gelukkige soldaat.”

Die natiestaat is een enorm succes gebleken en in tegenstelling tot wat wel wordt beweerd, is dit nog steeds het meest nuttige model van politieke orde gebleken. Tot op de dag van vandaag. De huidige Verenigde Naties zou eigenlijk de “Verenigde Natiestaten” moeten heten.

1648 gaat over de vestiging van de staatsmacht.

1748: de rechtsstaatNu naar 1748. Toen publiceerde Charles Louis de Secondat, baron de La Brède et de Montesquieu (1689-1755), kortweg “Montesquieu”, het boek Over de geest der wetten (1748). Het boek van Montesquieu gaat niet over de vestiging van de staatsmacht, maar om de beperking daarvan. Waarom? Omdat macht, ook macht in handen van de staat, kan corrumperen. Power corrupts, absolute power corrupts absolutely, is het weer later geformuleerd, maar dit geeft ook al een centrale zorg aan van Montesquieu. De staat moet dus bij zijn noodzakelijke uitoefening van de macht aan bepaalde normen worden gebonden. Dat is, om te beginnen, aan de wetten die de staat zelf maakt. Dat noemt men het “legaliteitsbeginsel”. Maar om machtsmisbruik te voorkomen, zou de staatsmacht ook het beste kunnen worden verdeeld over drie verschillende organen: een wetgevend orgaan (de “wetgever”), een uitvoerend orgaan (de “regering”), een rechtsprekend orgaan (de “rechter”). We spreken van de trias politica.

Ook zouden die drie organen (of “machten”) in een evenwichtige verhouding moeten worden geplaatst. Zij zouden elkaar in evenwicht moeten houden. Alleen dan zou de staatsmacht aanvaardbaar zijn. Een staat die zijn eigen macht beperkt door het recht en door de trias politica (leer van de drie machten), is legitiem. Zo’n staat noemen we een “rechtsstaat” (in tegenstelling tot een machtsstaat of een politiestaat of een dictatoriale staat). Een goede omschrijving van een rechtsstaat is: een staat die de eigen macht heeft laten beperken door het recht. Daarmee hebben we een duidelijk contrast tussen 1648 en 1748: het eerste vestigt de macht, het tweede beperkt te macht.

1848: de democratieWeer een eeuw later, in 1848, introduceerde Johan Rudolph Thorbecke (1798-1872) democratie. Of een begin van democratie. Wat is democratie? Democratie houdt in dat je kan bepalen door wie je geregeerd wilt worden, maar ook dat die regering vertrekt wanneer de burgers, of de vertegenwoordigers van de burgers, vinden dat het tijd is voor een politieke wisseling van de wacht.

Die “wisseling van de wacht” wordt mogelijk door het systeem van de “ministeriële verantwoordelijkheid”. Dat wil zeggen dat de ministers, degenen bij wie de verantwoordelijkheid voor het regeren berust, opstappen wanneer de volksvertegenwoordiging aangeeft dat de tijd daarvoor gekomen is. Een eerste vorm van die ministeriële verantwoordelijkheid werd ingevoerd door Thorbecke in 1848 en dat systeem werd verder ontwikkeld in de 19e eeuw (1866/68).

Hiermee hebben we de drie belangrijkste bouwstenen van de democratische rechtsstaat geschetst: de vestiging van de staatsmacht in 1648, de beperking van de staatsmacht in 1748 en de democratische controle van de staatsmacht in 1848.

1948: de mensenrechtenToch ontbrak nog iets. Een eeuwenoude traditie van “natuurrechtelijk denken” had gewezen op de betekenis van sommige individuele rechten voor de mens (en de burger) die nooit zouden mogen worden geschonden. Ook niet door een democratische meerderheid. Zou een democratische meerderheid mogen bepalen dat alle kinderen met blauwe ogen aan de leeuwen mogen worden opgevoerd in een speciaal daarvoor gebouwd Colosseum? Nee? Waarom dan niet? Als het democratisch besloten is, kan dat toch?

Nee, want die individuele rechten, mensenrechten of grondrechten, verzetten zich daartegen. Je mag een mens niet zomaar rechteloos maken. Ook niet bij meerderheid van stemmen. Ook niet wanneer je daarvoor een wettelijke basis kan vinden van de helft + één. Die gedachte leidde weer tot een lijst van universele (overal geldige) “mensenrechten”. Dat gebeurde met de vaststelling van de Universele Verklaring voor de Rechten van de Mens (1948) die door de Verenigde Naties (zoals gezegd, de Verenigde Natiestaten) werd aangenomen. Die mensenrechten, rechten die net als de leer van de trias politica, een beperking vormen op de macht van de staat (zelfs de democratische staat), vormen daarom ook een onderdeel van het idee van de rechtsstaat. Het mensenrecht van de vrijheid van expressie geeft bijvoorbeeld aan dat geen wet mag worden gemaakt waarmee aan PVVers het stemrecht of de vrijheid van expressie wordt ontnomen. Hoewel dat met een wetgever die in meerderheid daartoe een wet kan uitvaardigen best mogelijk zou zijn. Een rechter zou dan zo’n wet buiten toepassing moeten laten, want, hoewel democratisch, is die wet toch onrechtvaardig.

De Amerikanen en het toetsingsrechtDe Franse filosoof Montesquieu maakte veel indruk op de Amerikaanse verlichtingsdenkers. Op de mensen die de Amerikaanse grondwet maakten in 1787. De Amerikanen hadden zich in 1776 onafhankelijk verklaard van Engeland en bezonnen zich op het maken van een eigen grondwet. In die grondwet probeerden zij zich ook uitvoerig te bezinnen op de trias politica. En hun bijdrage aan die bezinning betekende een belangrijke versterking van de positie van de rechter in de leer van de scheiding en het evenwicht van de staatsmachten. Wat vonden namelijk de Amerikanen? Dat de rechterlijke macht van de drie eigenlijk de zwakste was. De wetgever ging over het geld. De uitvoerende macht over politie en leger. Maar de rechter ging eigenlijk over niets. Die had alleen een “oordeel”. De rechterlijke macht zou daarom de bevoegdheid moeten krijgen om de wetten die de wetgever maakt te beoordelen op overeenstemming (of strijd) met de Amerikaanse grondwet. Dat noemt men het rechterlijke toetsingsrecht of judicial review. Dat toetsingsrecht werd in de Verenigde Staten van Amerika geïntroduceerd in 1803. Dus als de Amerikaanse wetgever een wet maakt die door de rechter die deze wet in een individueel geval moet toepassen door de rechter als strijdig met de grondwet wordt geoordeeld, dan kan de rechter die wet buiten toepassing verklaring. Die wet is dan null and void. Dat is natuurlijk een stevige macht in handen van de rechter en de gehele Amerikaanse constitutionele geschiedenis wordt dan ook gekenmerkt door een discussie over dat toetsingsrecht.

Sommigen vinden dat prachtig. Immers het maakt grondrechtenbescherming mogelijk. Anderen klagen over het “ondemocratische” van dat toetsingsrecht, want het plaatst de rechter boven de wetgever. En daar zijn sommigen tegen. Het heeft ook geleid tot een lange discussie over de vraag hoe de rechter met dat toetsingsrecht zou moeten omgaan. Heel terughoudend, zei de Amerikaanse rechter Antonin Scalia (1936-2016). Zeer voortvarend, zei een andere rechter William Brennan (1906-1997). In die discussie worden natuurlijk ook uitspraken van de rechter, met name het Amerikaanse Hooggerechtshof, besproken. Bewoog de rechter zich hier niet op politiek vlak? Heeft hij zich wel voldoende aan de tekst van de wet gehouden? Is de tekst van de wet niet te vaag? Bevat deze niet teveel open normen, zodat de rechter te veel ruimte krijgt bij de uitleg?

Discussie over de macht van de rechter is oud en vooral in de VS heel levendig, om maar een understatement te gebruiken. Met een discussie daarover is niets mis. Ook niet wanneer die in Nederland zou worden gevoerd. Aan het eind van dit stuk kom ik daar nog op terug.

Wat is een evenwichtige verhouding van de staatsmachten?Het alleen onderscheiden van de vier data en de principes die toen werden geïntroduceerd (vestiging van de staatsmacht in 1648, beperking van de staatsmacht in 1748, democratische controle in 1848, en introductie van individuele rechten in 1948) laat nog veel vragen onbeantwoord.

Bijvoorbeeld hoeveel van die individuele rechten kan men erkennen? En welke? Een naïef antwoord is: zoveel als men maar wil. Immers voor al die rechten valt wel wat te zeggen. Recht op vrijheid van expressie, recht op vrijheid van godsdienst, recht op schoon drinkwater, recht op een dak boven je hoofd, recht om toegelaten te worden in een ander land als je vreest voor vervolging in je eigen land, recht op het behoud van de culturele identiteit van de groep waartoe je behoort, recht om niet gediscrimineerd te worden, recht om niet beledigd te worden – eindeloos is de lijst van claims die je de status van “mensenrecht” kan geven. Die wildgroei aan mensenrechten zou je “proliferatie” kunnen noemen.

Maar waarom is die wildgroei een probleem? Omdat de erkenning van elk individueel mensenrecht ook een beperking van de democratisch gecontroleerde wetgever betekent. Anders gezegd: een rechtsstatelijk instrument als het mensenrecht, beperkt ook de democratie. Een mensenrecht geeft aan: “Hier, wetgever, wordt u geacht niet in te treden.” En ook: “Als u, wetgever, hierover iets bepaalt dat in strijd is met een mensenrecht dan zal de rechter u terugfluiten door uw wet buiten toepassing te laten.” Daarmee is duidelijk dat 1748 (rechtsstaat) op gespannen voet met 1848 (democratie) kan komen te staan.

Voor Montesquieu was dit een reden om die rechters streng toe te spreken dat ze zich strikt aan de wet zouden moeten houden. Zij zouden moeten optreden als “onbezielde wezens”. Rechters zouden niet – en nu gebruik ik eigen bewoordingen – moeten gaan “regeren”. Wanneer rechters gaan regeren en dus macht aan zich trekken die men beter in handen van de wetgever kan laten, dan noemen we dat met een geleerd woord een “dikastocratie” (een regering door rechters). Dat woord komt niet van Montesquieu, maar de gedachte wel.

Ook Thorbecke was voor een overmaat van macht bij rechters nogal beducht. Dat bracht hem ertoe om te opponeren tegen een “toetsingsrecht” door de rechter. Het “toetsingsrecht” betekent, zoals we hebben gezien, dat de wetten die de wetgever heeft gemaakt door een rechter buiten toepassing kunnen worden gelaten wanneer de rechter meent dat de wet in strijd is met een individueel recht dat we hierboven als een “mensenrecht” of een “grondrecht” hebben aangemerkt. Het “toetsingsrecht” zou de rechters teveel macht geven. De evenwichtige verhouding van de drie staatsmachten (trias politica) zou daardoor worden verstoord. Thorbecke was niet enthousiast over het systeem dat de Amerikanen in 1803 hadden geïntroduceerd. Ook Thorbecke was dus in 1848 een criticus van een eventuele “dikastocratie”.

Over deze kwestie is natuurlijk veel meer te vertellen, maar ik wil me nu even concentreren op de vragen die aan het begin van dit stuk werden opgeworpen. Laten we teruggaan naar het begin.

De hedendaagse discussie over de triasIs FVD tegen de rechtsstaat? Natuurlijk niet. FVD is voor alle drie de instrumenten die hierboven werden gekoppeld aan de data van 1648, 1748, 1848, 1948. Ook FVD is voor een natiestaat (1648), die een rechtsstaat is (1748), bovendien een democratie (1848), waarin bovendien mensenrechten en grondrechten (1948) worden gewaarborgd.

Maar FVD heeft wel, net als Montesquieu, net als Thorbecke, een bepaalde visie op de verhouding van die staatsmachten. Om te beginnen iets wat aan 1748 voorafgaat. FVD legt zware nadruk op 1648. Veel van de problemen waarmee we tegenwoordig te maken hebben, hebben te maken met het feit dat de regering nauwelijks het staatsgezag op het grondgebied van de Nederlandse staat weet te handhaven. De grenzen van de natiestaat zijn poreus geworden. Criminelen intimideren advocaten van kroongetuigen. Terroristen intimideren cartoonisten of liquideren publieke intellectuelen als Theo van Gogh († 2004). Dat zijn allemaal manifestaties van falende staatsmacht.

Ook over 1748 valt wel het een en ander te vertellen. FVD is het eens met Montesquieu en Thorbecke dat we moeten waken tegen het wegvloeien van teveel beslissingsmacht naar rechterlijke instanties. Zouden we daar niet over mogen spreken? Maar waarom dan niet? Er is niets dat erop wijst dat Kamerleden of leden van de regering zich terughoudend zouden moeten opstellen wanneer het aankomt op bezinning op de juiste verhouding van de staatsmachten. Er is ook helemaal niets op tegen een vonnis, zoals in de Urgenda-zaak te kritiseren. Sterker, dat moet je als Kamerlid doen. Ook als lid van de Eerste Kamer. Je bent namelijk door het volk gemandateerd voortdurend na te denken over de juiste inrichting van ons constitutioneel bestel. Dat gaan we straks ook weer doen aan de hand van het rapport van de Staatscommissie Parlementair Stelsel. Als het daarbij niet geoorloofd zou zijn iets te zeggen over de wijze waarop de rechter zijn eigen rol ziet in verhouding tot de wetgever, dan kunnen we wel ophouden. De ondertitel van het rapport van de Staatscommissie Parlementair Stelsel luidt: “Democratie en rechtsstaat in balans”. Die ondertitel is significant. Veelzeggender dan de enigszins verwarrende hoofdtitel trouwens: Lage drempels, hoge dijken. “Democratie en rechtsstaat in balans” is een goede ondertitel omdat het onmiddellijk duidelijk maakt dat democratie en rechtsstaat kennelijk ook “uit balans” kunnen raken. En de vraag is dan hoe dat komt? Dat kan komen omdat het rechtsstatelijke overheerst over het democratische of het democratische overheerst over het rechtsstatelijke (waar de Europese Commissie landen als Polen en Hongarije van beschuldigt). In de vertegenwoordigende instanties van de Tweede en de Eerste Kamer gaat het onder andere over bezinning op die verhouding. Het zou ongerijmd zijn als over de verhouding wel kan worden gediscussieerd maar men zou geen voorbeelden mogen noemen van rechterlijke uitspraken waarbij die balans ver te zoeken is.

Is die discussie bedreigend voor rechters? Het valt moeilijk in te zien waarom. Immers rechters hebben een veel steviger positie hebben dan bijvoorbeeld Kamerleden. Rechters zijn voor het leven benoemd. Hun bezoldiging is bij de wet geregeld (zie artikel 117 Gw). Rechters hoeven zich dus helemaal niets aan te trekken van eventuele kritiek. Dat doen zij dan ook niet.

Maar wanneer rechters Kamerleden zouden gaan bekritiseren omdat Kamerleden onwelgevallige opvattingen ventileren over een evenwichtige verhouding van de drie staatsmachten dan kan dat betekenen dat die Kamerleden in hun werk worden beperkt. Die kunnen denken: “Laat ik maar niks zeggen over de wijze waarop de rechter zijn taak ziet, want dan word ik als ‘vijand van de rechtsstaat’ aangemerkt. En dat is een zware aantijging. Mijn kiezers gaan mij dat kwalijk nemen. Laat ik dus maar meehuilen met de wolven in het bos en zeggen dat rechters nooit, maar dan ook nooit bekritiseerd mogen worden omdat zoiets in strijd is met de trias. Dat is veiliger dan de weg van Montesquieu, Thorbecke en Scalia te bewandelen met hun kritiek op voortvarend optredende rechters.”

Zo’n laatste opstelling van een Kamerlid dat de discussie mijdt omwille van de lieve vrede, hoe zouden we die moeten noemen? Is daar geen Grieks woord voor? Vaandelvlucht? Ambtsverzuim? Ratiofobie? Criticofobie.

Dat grote gesprek over de trias politica was er vanaf het moment dat deze leer voor het eerst werd geformuleerd in 1748. Dat gesprek ging door naar 1848. In 1948 kwam daar, met de lijst van universele rechten van de Verenigde Naties, een element bij. Vijf jaar na 1948, in 1953, werden de mensenrechten van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens geherformuleerd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). In 1953 werd bovendien een “rechterlijk implementatiemechanisme” geïntroduceerd wat inhoudt dat alle rechters in Nederland wetten mogen toetsen aan dat EVRM. Dat betekent dat het toetsingsrecht aan de grondwet, waar Thorbecke tegen was, nu wel mogelijk werd aan de mensenrechten uit het Europese Verdrag. Is dat goed? Daar valt veel over te zeggen en dat gebeurt dan ook.  En dat gesprek zal blijven bestaan zolang de democratie blijft bestaan. En het moet ook gevoerd worden opdat de democratie kan blijven bestaan.